2. Wijzen van overerving

Tip: lees eerst de tekst ‘inleiding in de genetica’

Recessief versus dominant
Wanneer een gen gemuteerd is waarbij het zijn functie niet meer naar behoren uitvoert, kunnen er twee dingen gebeuren. Ofwel vangt het gen van het andere homologe chromosoom dit probleem op ofwel kan het dat niet. Het kan ook zijn dat er door de wijziging in het gen een gewijzigd eiwit gevormd wordt, dat een effect heeft in het lichaam.

In ieder geval, er ontstaat een effect wanneer één van de genen op de homologe chromosomen gemuteerd is of niet. Wanneer er geen effect ontstaat, spreken we van een recessieve mutatie. Een vogel die één gemuteerd gen hiervan bezit, is een splitvogel en toont de mutatie niet maar kan die wel doorgeven. Een vogel die beide genen, dus op beide homologe chromosomen, gemuteerd heeft, toont de mutatie wel dus is uiterlijk een mutatievogel. Wanneer één gemuteerd gen wél aanleiding geeft tot een zichtbaar effect, hebben we te maken met een dominante mutatie. Een vogel die één gemuteerd gen hiervan bezit, is een Enkelfactorige vogel (kortweg EF). Een vogel die beide genen gemuteerd heeft, dus op beide homologe chromosomen, is dan een dubbelfactorige (of DF) vogel.

De aandachtige lezer ziet dat de genetische situatie van een splitvogel bij een recessieve mutatie dezelfde is als deze bij een enkelfactorige vogel van een dominante mutatie. In beide gevallen is slechts één van de twee genen gemuteerd. Een mutatievogel van een recessieve mutatie komt dan overeen met een dubbelfactorige vogel van een dominante mutatie. Koppel dit aan het feit dat een vogel van iedere ouder één van de homologe chromosomen erft en je krijgt het volgende: splitvogels (en EF vogels) hebben de mutatie geërfd van één ouder en mutatievogels (of DF vogels) hebben ze geërfd van beide ouders.

Autosomaal versus geslachtsgebonden
Deze termen mogen moeilijk klinken maar zijn eigenlijk best eenvoudig. Een mutatie die op het Z geslachtschromosoom voorkomt noemen we geslachtsgebonden. Omdat deze chromosomen ‘toevallig’ ook het geslacht bepalen, erven de mutaties als het ware samen over met het geslacht. Mutaties die zich op eender welk ander chromosoom bevinden, zijn autosomaal.

Mannelijke vogels bezitten twee Z chromosomen waarop één of meerdere geslachtsgebonden mutaties kunnen voorkomen. Poppen bezitten één Z chromosoom en een W chromosoom. Dit laatste bevat geen kleurmutaties. Dit heeft als gevolg dat mannen wel en poppen niet split kunnen zijn voor geslachtsgebonden mutaties. Mannen kunnen bovendien split zijn voor meerdere geslachtsgebonden mutaties en de overerving is verschillend naargelang deze op hetzelfde Z chromosoom zitten of juist niet.

*********************

Samengevat bestaan er dus mutaties die autosomaal of geslachtsgebonden vererven, afhankelijk van de locatie waar het gen zich bevindt namelijk op de geslachtschromosomen of op een ander chromosoom. Daarnaast kunnen de mutaties zich na de overerving recessief gedragen of dominant, afhankelijk van het functioneren van het gen zelf. Alles samen geeft dit aanleiding tot vier mogelijke vormen van vererving:

  1. Autosomaal recessief

Kleurmutaties: witmasker, bleekmasker, bont (getekend), pale fallow en bronze fallow

  1. Autosomaal dominant

Kleurmutaties: dominant gezoomd

  1. Geslachtsgebonden recessief

Kleurmutaties: opaline, cinnamon, lutino en geelwang

  1. Geslachtsgebonden dominant

Kleurmutaties: geen

Alle kleurmutaties bij de valkparkiet zijn in te delen in één van de eerste drie mogelijkheden. Geslachtsgebonden dominante kleurmutaties komen niet voor bij de valkparkiet. Er is trouwens voorlopig maar één kleurmutatie bekend binnen de hele kromsnavelfamilie die zich geslachtsgebonden dominant gedraagt en dat is de grijsvleugel Catharina parkiet.

Met dank aan Dirk van den Abeele voor het nalezen van deze tekst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *